‘Nep-embryo’s’ of ‘natuurlijke’ embryo’s?
Laat het ‘echte’ embryo opstaan.
14 april 2026
Jaap van der Wal, MD PhD, anatoom-embryoloog en fenomenoloog
Ongeveer 2800 woorden – Leestijd 11 tot 14 minuten
Binnenkort [1] moet de Tweede Kamer in beraad over mogelijke aanpassingen en wijzingen in de Embryowet. Daarbij zal het ondermeer gaan over de status van de zogenaamde ‘nep-embryo’s’. Dat zijn menselijke embryo’s die sinds enkele jaren in het lab gemaakt kunnen worden en voor wetenschappelijk embryologisch onderzoek worden gebruikt. Op 16 december 2025 is in de Tweede Kamer een wetsvoorstel aangenomen (initiatiefwetsvoorstel – Paternotte en Bevers) waarin het tot nu toe geldende verbod wordt opgeheven om embryo’s die via ‘kunstmatige bevruchting’ (IVF) tot stand zijn gebracht, te gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek. Nu ligt een tweede wetsvoorstel voor, namelijk om de definitie van embryo te wijzigen zodat ook zogenaamde ‘synthetische’ embryo’s of ‘namaak-embryo’s’ beschouwd worden als embryo. „Een cel of samenhangend geheel van cellen met het vermogen uit te groeien tot een mens.” Het huidige wetsvoorstel noemt alles embryo wat er „redelijkerwijs” op lijkt, dus ook deze „entiteiten” uit het lab worden door de definitiewijziging voor de wet voortaan eveneens embryo’s, net als ‘natuurlijke’ embryo’s. Het zijn embryo’s die worden gemaakt uit stamcellen (er zijn ook technieken ontwikkeld waarbij er geen zaadcel noch eicel aan te pas komt), door sommigen ook wel aangeduid als ‘nep-embryo’s’. De laatste term werd gemunt door Erik Vrij, embryoloog aan de Universiteit Maastricht. in de NPO Tv-documentaire Zwanger dankzij de Wetenschap van 24 februari 2026 jongstleden.
De discussie gaat erover of het wel wetenschappelijk correct en ethisch verantwoord is om beide soorten embryo’s onder de embryowet te laten vallen. Een ander discussiepunt is de vraag of een eventuele gelijkstelling onbedoeld de deur zou kunnen openen naar de mogelijkheid om mensen te klonen, iets wat tot nu toe nog steeds bij wet verboden is. De deskundigen die met deze ‘nepembryo’s’ werken, lijken in een spagaat terecht te komen. Enerzijds betogen sommigen dat deze embryo’s ‘kunstmatig’ en ‘synthetisch’ zijn en dus niet zo als ‘natuurlijk of ‘echt’ beschouwd dienen worden, anderzijds wordt betoogd dat ze zich net zo gedragen als ‘echte’ embryo’s. Laatstgenoemd argument zou (als het waar zou zijn!) deze embryo’s geschikt maken voor wetenschappelijk onderzoek van de vroege menselijke embryonale ontwikkeling wat tot nu toe om technische redenen onmogelijk is (menselijke embryo’s zijn na innesteling in de baarmoeder niet meer voor direct wetenschappelijk onderzoek toegankelijk). Zullen de Tweede Kamerleden deskundig genoeg zijn om deze argumenten voor en tegen te kunnen afwegen? Wat staat op het spel? Als deze kunstmatige embryo’s worden gelijkgesteld aan echte embryo’s zal ook de 14-dagen-grens [2] op deze embryo’s van toepassing zijn. Wetenschappers willen misschien wel met behulp van deze synthetische embryo’s verder kijken dan die termijn? Een lastig dilemma?
In vakkringen worden voor de zogenaamde nep-embryo’s vaak voorzichtige, eufemistische (?) termen gebruikt. Men spreekt van ‘synthetische’ embryo’s of ‘embryo-modellen’ en van embryoïden en blastoïden, wat neerkomt op embryo-achtig of blastula-achtig [3]. Een veelgebruikte term is ook Embryo-Like Structures (ELS). Wat maakt deze embryo’s dan mogelijk ‘anders’ dan ‘natuurlijke’ embryo’s? Normaliter, zowel in vivo als in de omstandigheden van kunstmatige bevruchtingen (IVF) ontstaat een zygote. Dat is het allereerste eencellige stadium van het menselijk embryo tot stand gekomen uit de (al dan niet geforceerde) versmelting van twee kiemcellen, een zaadcel en een eicel. Kiemcellen zijn heel gespecialiseerde geslachtscellen. Bij de versmelting (conceptie) komen niet alleen de kernen van de twee geslachtscellen bij elkaar waarmee het halve (gehalveerde) aantal chromosomen (23) van beide cellen samengevoegd worden tot het normaal aantal van 46 chromosomen. Ook komen andere celorganellen en substanties mee die bijvoorbeeld de eerste deling van de zygote mogelijk maken en ook het DNA van de zygote via zogenaamde epigenetische factoren in een andere toestand van activiteit (‘gen expressie’) brengen.
Deze ‘ELS-embryo’s’ hebben een totaal andere ontstaanswijze en zijn van zeer onnatuurlijke oorsprong. Van een persoon worden zogenaamde somatische cellen, bijvoorbeeld huidcellen, genomen en met biochemisch instrumentarium teruggeprogrammeerd tot zogenaamde stamcellen. Dat zijn cellen die nog niet genetisch in een bepaalde functionele richting zijn gespecialiseerd en vaak aangeduid worden als ‘omnipotent’ (“alles is in principe nog mogelijk”) en daarmee een zekere gelijkenis hebben met een zygote, maar een geheel andere oorsprong hebben. Een groepje van ongeveer 120 van deze cellen worden samengevoegd door ze in bepaalde trechtervormige kamertjes (‘shakers’) bij elkaar te brengen. Daar hebben ze de neiging “aan elkaar te groeien” en zo ontstaat een klompje van cellen. En dat klompje van cellen lijkt dan weer op het eerder genoemde morula-stadium. De morula is het meercellige embryo dat zich na een dag of twee, drie uit de eencellige zygote ontwikkelt doordat deze een aantal zogenaamde celdelingen voltrekt. Zo’n morula bestaat uit acht en na enige delingen wel 64 cellen, die in principe nog identiek zijn (genetisch althans) en ook als een vorm van stamcellen kunnen worden beschouwd. Het kunstmatig tot stand gebrachte klompje cellen (een ELS dus) gaat dan, wanneer bepaalde moleculaire substanties worden toegevoegd, zich differentiëren in verschillende type cellen en weefsels. In de literatuur wordt dit soms aangeduid als een spontaan proces maar dat ‘spontaan’ kan men gezien de chemische manipulaties die uitgevoerd moeten worden om een en ander te laten gebeuren, wel met een wetenschappelijke korrel zout nemen. Op andere plaatsen wordt de term engineering gebruikt, dat dekt meer de lading van wat hier plaatsvindt. Na enige tijd ontstaat er zelfs een stadium waarin het embryo de fundamentele organisatie van een dierlijk lichaam aanneemt, het zogenaamde gastrula-stadium, met voorlopers van organen (gastruloïden). Een en ander kan worden gestuurd en gemanipuleerd door het selectief toevoegen van bepaalde epigenetische of morfogenetische stofjes. Sommigen reconstrueren dan op die manier de eerste stappen van de hersenaanleg en van het hart, processen die normaliter plaatsvinden rond de 22e dag van de menselijke ontwikkeling. Bij muizen zijn er al embryoïden gekweekt die een kop-staart-as, rug-buik-as en een links-rechts-as ontwikkelen, met organen in primitief stadium en op de juiste locatie. Men kan ook al de ontwikkeling van een deel van het embryo uitschakelen, zoals eerder genoemde trofoblast waaruit zich normaliter de placenta ontwikkelt!.
Sommige embryologen zullen dit soort ontwikkelingen natuurlijk als een geweldige sprong voorwaarts beschouwen. Het geeft hen namelijk mogelijkheid om de vroege embryonale ontwikkeling die zich normaliter aan het onderzoekende oog onttrekt (want plaatsvindt in de “black box” van de baarmoeder), nu in het lab te kunnen onderzoeken en ermee te kunnen experimenteren. In verschillende artikelen waarin deze experimenten beschreven worden wordt ook benadrukt dat deze embryo’s zich niet kunnen ontwikkelen tot een normale voldragen zwangerschap omdat namelijk deze embryo’s zich niet innestelen in een baarmoeder (implantatie). Normaliter zal een blastula van een paar dagen oud zich innestelen in het baarmoederslijmvlies waarbij het embryo ook de eerste aanleg van placenta ontwikkelt. De ontwikkeling tot aan de geboorte vindt dan in principe binnen die placenta plaats, dus in stofwisseling-interactie met het moederlijk organisme. Of ooit in dit verband een kunstmatige baarmoeder zou kunnen worden ontwikkeld en toegepast is op dit moment (gelukkig?) nog een kwestie van science fiction. De indruk zou kunnen ontstaan dat men het kunstmatige en ‘nep’-karakter van deze embryoïden benadrukt om niet de indruk te wekken dat men uit zou zijn op het creëren van kunstmatige embryo’s die buiten het moederlichaam om tot kinderen zouden kunnen uitgroeien, terwijl met dit soort praktijken de mogelijkheid daratoe wel word geschapen.
Er is nog iets wat deze ‘nep-embryo’s’ misschien wel een revolutie doet zijn op het gebied van embryologische research maar tevens een dringend argument vormt om deze embryo’s absoluut niet als normaal of natuurlijk te beschouwen. Uiteindelijk ontstaan deze embryo’s niet uit de samenvoeging van een zaadcel en een eicel maar zijn het in feite klonen van een bepaald persoon. Er is dus noch biologisch noch genetisch sprake van ouders. In het hierboven genoemde initiatiefwetsvoorstel worden ook embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek gebruikt maar die worden dus tot stand gebracht met ge doneerde zaad- en eicellen. In het (vooralsnog) theoretische geval dat men de hier bedoelde ‘nep-embryo’s’ zou laten uitgroeien tot een voldragen foetus of kind, zou er dus sprake zijn van het geboren laten worden van een gekloonde mens. Tot nu toe is nog steeds (politiek gezien) wel algemeen aanvaard dat het ter wereld brengen van gekloonde mensen verboden moet blijven. De embryo’s die via de ELS-techniek tot stand worden gebracht en alleen voor onderzoek gebruikt worden, zijn in feite al menselijke klonen. Ze worden tot nu toe weliswaar ‘benut’ voor wetenschappelijk onderzoek, maar een voortschrijdende ontwikkeling is natuurlijk heel goed denkbaar en dan wordt de geboorte van een menselijke kloon mogelijk gemaakt [4]. De vraag is echter of we de stap naar het creëren van gekloonde mensen wel op deze manier willen zetten.
De tegenstrijdigheid is dat men dergelijke kunstmatig gecreëerde embryo’s wetenschappelijk gezien representatief acht voor de normale embryonale ontwikkeling. In het uiterste geval zou je dus moeten kunnen aantonen dat een dergelijk embryo wél tot een voldragen zwangerschap zou kunnen leiden en wel een normaal mens oplevert. Dit zou dus kunnen leiden tot het creëren van ‘nep-kinderen’(?). Daarbij moeten we ons ook serieus afvragen, wie voor deze kinderen verantwoordelijk is. Van wie ‘zijn’ zulke kinderen? Zijn het wel rechtspersonen? Uiteindelijk kan dan een ethisch en moreel gezien zo kromme situatie ontstaan dat het maar beter is daar niet aan de beginnen.
Terug naar de spagaat. Enerzijds geeft men kennelijk graag aan dat het om niet-natuurlijke embryo’s gaat (vandaar de term “nep-embryo’s”)waarmee men de vroege stadia van de menselijke ontwikkeling, die zich doorgaans afspelen in de ‘black box’ van de baarmoeder, in vitro volgen kan. Anderzijds beschouwt men deze ‘embryo-modellen’ wel als representatief voor de ‘echte’ embryonale ontwikkeling. Dat is van twee walletjes eten. Er is immers geen enkele aanwijzing is dat wat voor de namaak-embryo’s opgaat, ook voor echte embryo’s opgaat. Hoe dan ook, er wordt naarstig gezocht naar argumenten om aan te tonen dat namaak-embryo’s zich net zo ontwikkelen als echte embryo’s. In de biologie wordt in dergelijke gevallen het argument van de homologie gehanteerd. Homologie betekent ‘op elkaar lijken’. In de Volkskrant van 7 juli 2023 wordt (misschien onbedoeld) exact onder woorden gebracht wat hier speelt: “Grote beroering in de wetenschap: nog nooit leken kunstmatige menselijke embryo’s zó op het origineel”. En als het erop lijkt, dan moet het wel (bijna) hetzelfde zijn.
Wanneer ik destijds aan studenten geneeskunde afbeeldingen toonde van de vroege stadia van de menselijke ontwikkeling, dan kwam de discussie over homologie al gauw aan de orde. Dat een vroeg menselijk embryo er ‘dier-achtig’ uitziet, wil nog niet betekenen dat het dus ook om een dierlijke vorm gaat. Aan het begin van de vorige eeuw werd de gelijkenis tussen het menselijk embryo en dierlijke vormen gezien als een bewijs dat de embryonale ontwikkeling van de mens een soort recapitulatie zou zijn van zijn evolutionaire ontwikkeling. (Voor veel mensen tegenwoordig ook het gangbare argument om de mens te beschouwen als de zoveelste diersoort). Deze op homologie gebaseerde stelling houdt echter geen stand als men zich rekenschap geeft hoe verschillend de totstandkoming van beide vergeleken vormen in feite is. In de evolutie is een voortdurend veranderen van het genoom van de soorten aan de orde (mutatie), in een embryonale ontwikkeling is daarvan geen sprake. Dat twee zaken er hetzelfde uitzien is nog geen argument dat het ook om hetzelfde gaat. Maar kennelijk is niet iedereen zich daarvan bewust. Zo kan men in de discussie of ‘embryo-achtigen’ en embryo’s wel of niet gelijk of gelijkwaardig zijn’, tegenwoordig biologen de zogenaamde eendentest [5] van stal horen halen. In dat kader pleit Gert Jan Veenstra, moleculair ontwikkelingsbioloog aan de Radboud Universiteit, als volgt: “Als het eruit ziet als een menselijk embryo, de genen heeft van een menselijk embryo en functioneert als een menselijk embryo, dan is het met grote waarschijnlijkheid een menselijk embryo”.
Dat is te makkelijk en eigenlijk heel on-biologisch. Een en ander hangt ook samen met het gegeven dat de definitie van embryo, die doorgaans wordt gehanteerd, luidt „Een cel of samenhangend geheel van cellen met het vermogen uit te groeien tot een mens.” In deze omschrijving zit een vooroordeel besloten dat gebaseerd is op (mijns inziens) achterhaalde reductionistische biologie. Het gaat in de ontwikkelingsbiologie om worden, om processen en niet enkel om vormen of bouw (‘anatomie’). Een zygote is geen cel, maar een eencellig menselijke organisme, een ‘lichaam’ dus. In een meer organistische opvatting van biologie is een embryo niet iets dat gaat uitgroeien tot een mens – bovendien wordt nooit duidelijk aangegeven wanneer het dan ‘klaar’ zou zijn en dus geen embryo meer – maar net als elke levend wezen een verschijnen in de tijd. Een autopoietisch wezen dat een leven lang zich zelf vormt, zich organiseert en zich in stand houdt. En zeker geen machine-achtig iets, opgebouwd uit onderdelen dat pas kan functioneren als het klaar is. Een organisme is van meet af aan functioneel, dat kan van een apparaat of machine niet gezegd worden
Dus de eendentest gaat niet zo simpelweg op. Neem het geval van de synthetische embryo’s die gepresenteerd worden als kunstmatig gevormde ‘celklompjes’ en daarmee zouden lijken op het 2 tot 3 dagen oude morula-stadium van het menselijk embryo. De menselijke morula wordt maar al te vaak aangeduid als ‘een klompje cellen’, vaak ook met de badinerende reductionistische ondertoon van “Ach, een menselijk embryo is dan niets anders dan een klompje cellen”. Weer het vaak gebezigde nog-niet-principe van een embryo. Hoe komt dat klompje cellen tot stand in het ‘echte’ en in het ‘namaak-embryo’? Moet je ze dan met een soort netje bij elkaar brengen? Zo gaat het daadwerkelijk ongeveer bij de creatie van nep-embryo’s. Je brengt ze bij elkaar in een met een bepaalde vloeistof gevulde trechter (een shaker genaamd) en dwingt ze min of meer met elkaar contact te maken. Hoe totaal anders gaat het in vivo met de morula. De zygote is een eencellige mens en dit eencellige organisme gaat vervolgens gedeeld worden door toename van het aantal cellen. De morula is dus een meercellig menselijk organisme, een geheel dat zich heeft geordend in meerdere cellen. Het lijkt dan wel op een klompje cellen maar dat is het in feite niet. In de evolutie, zo nemen tegenwoordig de biologen met vrij grote stelligheid aan, is er ooit in een ver verleden sprake geweest van het groeperen van primitieve eencellige organismen die vervolgens, waarschijnlijk omdat het een overlevingsvoordeel had, kolonies zijn gaan vormen. En zo ontstonden meercellige organismen uit samenklonteren van eencelligen: het geheel is het resultaat van de samenvoeging van de delen (het bouwsteen-principe). De meercelligheid van een morula is ontstaat echter op totaal andere wijze namelijk doordat een eencellig organisme door celdelingen een meercellig organisme wordt (de delen ontstaan uit het gehele, zogezegd). Hoezo homologie? Embryologen brengen in reageerbuizen klompjes ‘stamcellen’ bij elkaar, zetten dus letterlijk een embryo in elkaar, dat dan vervolgens, door ‘epigenetische’ factoren gestuurd, er uit gaat zien en zich te gedragen als een menselijk embryo. En dat zou dan hetzelfde zijn als een ‘normale’ morula? Niemand weet trouwens nog of deze ‘ontwikkeling’ zich spontaan kan voortzetten in een reageerbuis zonder intensief stofwisselings-contact met een moederlijk organisme. Hoe zou je dat moeten bewijzen? Ze proberen te laten uitgroeien? In een kunstbaarmoeder of zo? En worden het dan ‘nep-kinderen’ en ‘nep-mensen’?
Bij het maken van namaakembryo’s uit stamcellen worden de cellen samengebracht door ze samen te voegen in een kweekmedium met een specifieke cocktail van eiwitten en groeifactoren, die de stamcellen stimuleren tot deling en zelforganisatie tot een bolvormige structuur die lijkt op een vroeg embryo. Wetenschappers voegen een “uitgekiende cocktail van eiwitten” toe die de stamcellen stimuleren om te delen en zich te ontwikkelen. Dat heet dan: “de samenhangende stamcellen worden aangezet tot communicatie en zelforganisatie”.
Bij dit alles dient ook benadrukt worden dat het hele proces dus ook om klonen gaat, genetische kopieën van bestaande menselijke personen. Het reproductief klonen van dieren wordt al ruimschoots toegepast maar daar is sprake van heel veel ‘collateral damage’ in die zin dat veel van de gekloonde dieren erfelijke en andere afwijkingen vertonen of soms zelfs helemaal niet levensvatbaar zijn. Slechts een klein percentage van de gekloonde embryo’s groeien normaal uit. Volgens mij moeten we maar rationeel verstandig zijn en de discussie over homologie maar laten voor wat het is. Er is in ieder geval voldoende argumentatie om deze zogenaamde ‘nep-embryo’s’ niet te beschouwen als normale embryo’s en ook geen enkel onderzoek te dulden dat een poging zou willen doen om dat te bewijzen. En ze vooral niet bij machte van een wet als gelijk en dus mogelijk gelijkwaardig te categoriseren.
Het wetsvoorstel dat nu voorligt, stoelt op de verhoopte overeenkomst tussen synthetische ‘embryo’s’ en echte embryo’s. Maar het verschil tussen synthetische ‘embryo’s’ en echte embryo’s is belangrijker dan de overeenkomst. Dit verschil verdwijnt door het onderhavige wetsvoorstel, terwijl het juist scherp gehandhaafd zou moeten worden. Dat kan alleen in een nieuwe wet, los van de Embryowet, goed geregeld worden. Een wijziging van de embryowet in de richting zoals die nu wordt voorgesteld, verdoezelt in feite het klonen van mensen en overschrijdt grenzen door gelijk te maken wat niet gelijk is.
[1] Op moment van schrijven gepland voor 15 april 2026
[2] In Nederland wordt, net als in vele landen, de grens tot waar embryo’s experimenteel gekweekt en bestudeerd mogen worden, gesteld op 14 dagen na de conceptie. Ook bij voornoemde wetswijziging is niet aan deze termijn getornd.
[3] Blastula is de aanduiding voor een menselijk embryo van enkele dagen oud dat eruit ziet als een blaasje met daarin excentrisch gelegen een kern van cellen, embryoblast of inner cell mass genaamd, die vaak wordt aangeduid als het ‘eigenlijk embryo’. De wand van het blaasje, de trophoblast of outer cell mass groeit uit tot de latere placenta.
[4] Een misverstand (geopperd door een staatssecretaris) is dat er alleen sprake is van kloneren van mensen wanneer er een kind geboren wordt uit een gekloond embryo. Biologisch gezien is elk organisme dat genetisch identiek aan een ander organisme, een kloon. Het stadium en wel of niet geboren zijn, heeft daar niet mee te maken. Volgens de staatssecretaris zouden de ‘nep-embryo’s’ dus beschouwd moeten worden ‘nog-niet-kloon’. Dan wordt de definiëring van ‘echt of niet’ wel heel schimmig.
[5] Wikipedia: The ducktest: If it looks like a duck, swims like a duck, and quacks like a duck, then it probably is a duck. De Dichter James Whitcomb Riley (1849–1916) zou deze ‘wetmatigheid’ gemunt hebben.