EPIGENETICA – Een doekje voor het bloeden voor een onjuist dogma

IN DEN BEGINNE WAS ER HET DNA. EN TOEN WAS ER HET EPIGENOOM

  Ze zijn niet aan te slepen, de boeken die gaan over epigenetica. Tegenwoordig wordt mij vaak gevraagd “of een bepaalde eigenschap of fenomeen nu genetisch of epigenetisch is”. Toen in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw meer en meer bekend werd over DNA en de rol daarvan bij erfelijkheid, ging de discussie nog over ‘nature or nurture?’: Worden bepaalde ziekten en eigenschappen nu bepaald door genen of door de omgeving”. Andere begrippen in dit debat waren ‘aanleg of verworven’? Het werd steeds duidelijker dat je niet kon spreken over eigenschappen die puur genetisch bepaald zijn en andere die puur omgeving-bepaald zouden zijn. Het ging altijd wel om allebei maar de verhouding waarin kan enorm verschillen. Maar is ‘genetisch of epigenetisch’ wel hetzelfde als ‘nature of nurture’? Is het epigenoom ook erfelijkheid? Zoals het genoom als het substraat van erfelijkheid en overerving wordt gezien?

Ik stam nog uit de tijd van vóór het DNA. In mijn opleiding tot arts in de jaren 60 van de vorige(!) eeuw was het DNA nog maar net ontdekt als de vector waarmee erfelijke informatie werd overgedragen van het ene organisme naar het andere. DNA diende de overerving van eigenschappen, dat was het. Informatiedrager heette dat. De DNA-codes werden bekend. Steeds meer werd bekend over de aard van de codes (basen-tripletten) in het DNA die bepalend zouden zijn voor de volgorde van aminozuren, die op zijn beurt weer de eigenschappen bepaalde van het eiwit ‘waarvoor dat DNA codeerde’ (aanhalingstekens van de auteur JvdW).  De eigenschappen van een eiwit werden immers bepaald door de volgorde van aminozuren waaruit het was opgebouwd. Maar er zit een addertje onder het gras in het zinnetje ‘het eiwit waarvoor DNA codeert’. Coderen kan hier en wordt hier vaak geïnterpreteerd als een activiteit. Een stapje verder en je doet wat ook tegenwoordig heel veel neurofysiologen doen, je geeft de beschrijving een oorzakelijk kleurtje oftewel: de beschrijving wordt de (oorzakelijke) verklaring. Bekende uitdrukking in dit soort wetenschappelijk eufemisme is bijvoorbeeld: “Dit of dat gen is verantwoordelijk voor / speelt een belangrijke rol bij eigenschap X”. En de onschuldige leek voert dit nog verder en dan heet het: “De eigenschap X zit in mijn genen. Kan ik het helpen dat ik zo ben, dat komt door mijn genen”. Zo bont zal een geneticus het niet maken maar toch ontstond in die jaren het zogenaamde Centrale Dogma van de moleculaire biologie. Dit werd in 1958 geformuleerd door Francis Crick (een van de ‘ontdekkers ‘van de structuur van het DNA) en hield in dat de fundamentele stroom van (genetische) informatie binnen een cel in één richting gaat: van DNA naar RNA en van RNA vervolgens naar de eiwitten. Het differentiëren van cellen en weefsels in het embryo bijvoorbeeld werd gereduceerd tot ‘coderen’ en daarmee een ‘activiteit’ van ‘binnen’ (de genetische code) naar ‘buiten’ (de cel en verderop het orgaan en nog verder op het organisme). Daarmee samenhangend ontstond ook het gebruikelijke jargon dat ‘genen tot expressie komen’ in het organisme, ook alweer een ‘activiteit’ van ‘binnen’ naar ‘buiten’

Iedereen nam het taalgebruik over als zoete koek. Het DNA-denken was geboren. Deze laatste kreet werd onder andere door mij gemunt in een rapport dat een groepje Nederlandse biologen publiceerde en aan de Nederlandse regering aanbood met de titel Zit er toekomst in ons DNA? (1993).  De embryoloog Ernst Blechschmidt (1904-1992) protesteerde ook, luid en duidelijk. Hij stelde dat DNA nooit een actief principe kan zijn. Ook het fenomeen dat DNA zich zelf zou kunnen repliceren werd door hem als onmogelijk beschreven. We weten nu ook wel dat dat zo niet gaat. DNA kan niet zichzelf repliceren maar het kan door enzymen in de cel worden gesplitst en vervolgens door andere enzymen weer worden gerepliceerd. Waarom pikte Blechschmidt het centrale dogma niet?  Volgens het dogma van de moleculaire biologen zou de differentiatie in het embryo ‘van binnen naar buiten’ gaan en zouden het de genen zijn die bepalen welke eigenschappen in het embryo verschijnen. Natuurlijk zijn diegenen in zekere zin bepalend maar kunnen zeker niet gezien worden als de verklaring of oorzaak van de differentiatie. De embryologen hadden in die tijd al decennialang het concept gehanteerd dat in een embryo zones ontstaan (later aangeduid als morfogenetische velden) waarin cellen in verschillende typen weefsels en cellen differentieerden. Het was een kwestie van ligging en oriëntatie. De morfogenetische velden zijn weefselzones waarin bijvoorbeeld de stofwisselings-omstandigheden van de cellen anders zijn dan de omgeving waardoor de cellen ander gedrag beginnen te vertonen. Een mooi voorbeeld hiervan is het morula stadium bij de mens. Deze 8-64 cellen worden geacht genetisch allemaal nog gelijk te zijn maar morfologisch zijn ze dat niet meer, want er ontstaat heel logisch – ik zou haast zeggen heel MORFOlogisch – een centrum en een periferie in zo’n bolletje cellen. (Dat laatste wil overigens niet zeggen dat een embryo van een paar dagen oud niet anders dan een ‘klompje cellen’ is, het is een meercellig individu of organisme en dat is iets anders dan een klompje cellen). De metabole omstandigheden in het centrum zijn anders dan in de buitenzone. De cellen in het centrum gaan zich anders gedragen en uiteindelijk openbaren zich daar ook andere eigenschappen: de embryoblast ontstaat. De cellen in de periferie van de morula differentiëren tot een trofoblast. Dit is ook experimenteel te bevestigen doordat het al vele mogelijke manieren is aangetoond dat je een embryoblast in de trofoblast kunt verplaatsen waarna deze zich aanpast aan de nieuwe omstandigheden en een trofoblast cel wordt. Het omgekeerde is ook denkbaar en aantoonbaar. Echter, na enige tijd (een of meer dagen) is dat niet meer mogelijk en blijft de getransplanteerde cel zijn oorspronkelijke eigenschappen behouden. Waarom? Een gebruikelijk antwoord is: ‘dan hebben de eigenschappen zich inmiddels in de genen vastgelegd’, met andere woorden de cel is definitief gedifferentieerd. Dus de genen noch het DNA veroorzaken de differentiaties maar worden in het kader van het organisme gedifferentieerd. De differentiatie gaat van ‘buiten naar binnen’.

Voor embryologen en morfologen was het duidelijk: het organisme differentieert zich voortdurend in verschillende velden en de velden differentiëren zich weer in onderverdelingen van velden en zo differentieert het geheel van het organisme in de delen en de cellen. Blechschmidt onderkende een sjabloon van acht verschillende ‘stofwisselingsvelden die zich in het embryo kunnen voordoen. In velden waar de cellen op elkaar drommen (densatie) ontstaat kraakbeen. In velden waar de cellen ‘gerekt’ (dilatie) worden, dat wil zeggen zich in elkaars verlengde organiseerden, ontstaat spierweefsel. Van belang is om op te merken dat het hier niet gaat om biomechanische processen maar meer om fysiologische processen en om het (groei)gedrag van de cellen. De ‘Stoffwechselfelder’ van Blechschmidt zijn wat anderen zoals de bioloog Paul Weiss (1920) en Rupert Sheldrake (1980) hebben aangeduid als morfogenetische velden.

Maar de genetici en de moleculaire biologen en daarmee dus ook Jan en alleman bleven denken in termen van de genen die ‘coderen voor bepaalde eigenschap.’ Dat iets een code is, is eén, maar dat wil nog niet zeggen dat het codeert. Het artikel dat hier voor je je ligt, bevat informatie en die formatie kun je lezen, maar ja, dan kun je natuurlijk niet de letters en de woorden in het boek oorzakelijk achten voor de woorden en de letters die jij leest en de gedachten die jij erbij krijgt in je hoofd. Informatie is proces. Als de genetische informatie in het genoom niet op de een of andere manier gelezen wordt, gebeurt er niets. Dat is wat Blechschmidt bedoelde. Maar de genetici leken daar anders over te denken: het centrale dogma.

Tot in 2000 met de nodige bombarie het Human Genome Project (HUGO) als voorlopig afgerond werd beschouwd en onder andere in aanwezigheid van Bill Clinton, destijds de president van de Verenigde Staten, en een ruwe kaart (90%) van het menselijk genoom aan de mensheid werd gepresenteerd. Het project heeft meer dan 10 jaar geduurd, er waren duizenden genetici bij betrokken en heeft miljarden gekost. Tegenwoordig kan men met een moderne DNA-sequencer in een biologisch laboratorium het genoom van een mens of een dier in enkele luttele uren ‘analyseren’. Maar HUGO was ook een soort teleurstelling. Men had gedacht dat het project enorm veel tijd zou kosten en een bijzonder complex genoom zou opleveren omdat de mens geacht werd toch wel heel veel meer coderende genen te hebben dan de simpele organismen waarmee tot nu toe was gewerkt. Dat viel echter tegen. De stand is tegenwoordig dat een mens hooguit 20.000 tot 25.000 eiwit-coderende genen (exonen) heeft. Dat is niet opvallend veel. Er zijn planten die hebben er 50.000. En ook het verschil met andere zogenaamde hogere dieren was toch maar relatief gering. Het verschil met een chimpansee is hooguit 1 à 2%. Een muis heeft ongeveer 30.000 genen en slechts een klein aantal genen is uniek voor de muis in vergelijking tot de mens. Het was bij de genetici al gaan dagen dat het niet zo kan zijn dat voor elke eigenschap er ook een gen zou zijn. En die 20.000-25.000 eiwit-coderende genen maakten bij de mens ook nog maar eens 1,5% van het totale menselijk genoom uit. En de rest dan? Aan het begin van deze eeuw werd die 98% DNA nog junk-DNA genoemd, want het zou geen functie hebben, want een gen was (toen nog) een stuk DNA dat codeerde.

Over dat laatste een tussenopmerking. Het heeft me altijd verbaasd dat in de genetica destijds 98% van ons genoom werd geïnterpreteerd als ‘nonsens DNA’. Het zou geen functie hebben, dat wil zeggen niet voor een bepaald eiwit coderen. Hoe kun je toch als bioloog (want ik neem aan dat de meeste moderne biologen toch wel Darwinist zijn of neo-darwinistisch denken) aannemen dat zich doorheen de evolutie een wezen zou ontwikkelen met 98% ‘nutteloos’ DNA. Ik heb altijd begrepen dat nutteloze zaken niet de drempels van de natuurlijke selectie en survival of the fittest overleven. In mijn interpretatie van de evolutietheorie van Darwin komen nutteloze organen of lichaamsprincipes natuurlijk niet voor: alles in het lichaam moet een betekenis of op zijn minst een functie hebben. Kan aan een bepaald lichaam onderdeel fysiologisch misschien geen functie toegedacht worden, dan heeft het vaak wel morfologisch en in de morfogenese van het lichaam een functie. Later werd de term ‘junk-DNA’ gerelativeerd met de idee dat het voor een deel zal gaan om evolutionair afval b.v. viraal DNA dat een tijdlang in het menselijk genoom opgenomen was geweest en min of meer was blijven ‘hangen’. Maar inmiddels staat het junk-DNA in het middelpunt van de genetische belangstelling omdat men steeds vaker moeten vaststellen dat het zogenaamde ‘niet-coderende’ DNA een zeer belangrijke rol speelt bij de regulatie van genen en de structuur van chromosomen (zie verderop). Het zal nog wel wat decennia duren voordat ook junk-DNA is ‘ontcijferd’.

Regulatie van genen? Ja, tegenwoordig is ‘orkestratie’ het modewoord in de genetische biologie. Je kunt bij wijze van spreken met een zelfde genenpakket verschillende organismen ‘verklaren’ omdat tijdens de ontwikkeling van een dier de genen binnen een bepaald tijdsframe (volgorde en tijdsbestek) worden ingeschakeld en uitgeschakeld. Ook valt het te denken valt dat genen in meerdere fasen van de ontwikkeling worden ingeschakeld en uitgeschakeld. Ook ontdekte men clusters van genen die gezamenlijk worden geactiveerd. Het bekendste voorbeeld daarvan zijn de zogenaamde Hox-genen. Dat zijn genen die fungeren als architecten of blauwdruk van het lichaam tijdens de embryonale ontwikkeling. Ze zouden de plaatsing van lichaamsdelen bijvoorbeeld langs de voor-achteras van het lichaam bepalen. (Overigens daar duikt het woord ‘bepalen’ als activiteit weer op!) En zo werd meer en meer het idee gemeengoed dat degenen oftewel het genoom worden gereguleerd, georkestreerd. Dat er moleculaire substanties zijn die inderdaad een gen kunnen activeren, kunnen remmen, ook kunnen vermenigvuldigen waardoor een enorme herhaling van basen-codes ontstaat. Het gaat dus in tegenstelling tot het centrale dogma van Crick om informatiestromen van ‘buiten naar binnen’. Die regulerende moleculaire substanties werden epigenetische factoren genoemd en tegenwoordig zelfs aangeduid als het epigenoom. Dat zou dan een soort van besturingssysteem zijn waarmee stukken van het menselijk genoom kunnen worden uit- en aangezet. Zo ontstond er een hausse van belangstelling in de genetische biologie naar epigenetica. Er zijn zelfs biologen die proberen in navolging van het HUGO-project voor het menselijk genoom, het menselijk epigenoom in kaart te brengen.

Daarmee staat tegenwoordig epigenetica als zijtak van de genetica volop in de belangstelling. Een bepaalde eigenschap houdt verband met een bepaalde genenstructuur, maar het zijn de epigenetische factoren die het betreffende gen orkestreren (onder andere aan- en uitzetten of inactiveren onder bepaalde omstandigheden en in bepaalde regionen van het zich ontwikkelende embryo). En dat alles weer in zekere zin oorzakelijk gedacht: een bepaalde eigenschap kan epigenetische of meer genetisch bepaald zijn. Zo gaat ook een deel van de genetische manipulaties in hun werk: in het organisme worden via epigenetische tools genen gemanipuleerd, geactiveerd of afgedekt. Een subtielere vorm van manipuleren dan de nog steeds gebruikelijke manier om het DNA te manipuleren en dat is door het wijzigen of vervagen van de code-structuur van een gen. Ik doel hiermee op het moderne gebruikelijke ‘geknip en geplak’ in het genoom zoals met de beroemde CRISPR-cas methode. Zo kunnen ook knock-out muizen worden gemaakt waarbij bepaalde genen met DNA-methylering (dit is een bekend epigenetische factor) bijvoorbeeld kunnen worden uitgezet en dan als model fungeren voor een ziekte veroorzaakt door een bepaald genetisch defect. Tegenwoordig wordt bijvoorbeeld het verouderen van organismen geïnterpreteerd als een haperen van het besturingssysteem, het epigenoom en wordt zelfs zoiets als biologische leeftijd aan dit epigenoom en de activiteit ervan bepaald.

Maar de morfologen en de embryologen zagen de uitkomst van het Hugoproject (weer) anders. Want die concludeerden uit deze nieuwe bevindingen: “Zie je wel, dat zijn nu onze morfogenetische velden, het zijn niet de genen die ons differentiëren, het is het organisme dat zijn genen orkestreert en op die wijze zichzelf differentieert”. Een van de instrumenten of media daarvoor in het organisme zijn dan deze epigenetische factoren die door cellen worden geproduceerd bijvoorbeeld afhankelijk van de metabole omgeving. En dat brengt ons bij Blechschmidt:  Genen zijn geen actieve principes die het lichaam differentiëren, het embryo is een geheel, een organisme en het is het organisme dat zijn genen bespeelt registreert en differentieert. Het centrale dogma blijkt een enorme denkfout: differentiatie gaat eerder van ‘buiten naar binnen’.

Om te begrijpen wat hier speelt, kun je een gen misschien vergelijken met een neuron. Een zenuwcel is niet simpel een cel die aan- en uitschakelt en dan bijvoorbeeld een spier tot contractie prikkelt maar een neuron brengt voortdurend een complexe activiteitstoestand tot stand. De frequenties van het voortdurend depolariseren en repolariseren van zo’n neuron kan snel wisselen en patronen tot stand brengen. En afhankelijk van zijn activiteittoestand heeft dat neuron dan een bepaald effect op bijvoorbeeld een ander neuron of een spiercel  Ik denk dat je ook bij een gen niet aan een activiteit moeten denken maar eerder aan een (snel variabele) activiteitstoestand. Een gen is niet simpelweg een stuk DNA, een gen is een DNA-streng die op zeer complexe wijze is verpakt en ingebed in een complexe omgeving van enzymen en epigenetische factoren. Het is die ‘verpakking’ die de activiteitstoestand van het genoom bepalen. De genen in de cellen van de huid van je vinger zijn dezelfde genen als in je levercellen, het verschil zit hem in de in ‘activiteitstoestand’: welke delen van het genoom staan open (kunnen worden ‘afgelezen’), welke delen zijn ‘afgedekt’ of uitgeschakeld? Belangrijk is ook te beseffen dat deze variantie in activiteittoestand omkeerbaar zijn en niet de genetische code zelf betreffen.

Ik ontleen een voorbeeld aan het menselijke houdings- en bewegingsapparaat. In een ledemaat zijn de botten ‘ingepakt’ in een complex apparaat van banden en spieren. Het zijn de verkortingen en verlengingen van de spieren die de stand van de ledemaat en de skeletdelen daarvan ten opzichte van elkaar bepalen en razendsnel kunnen aanpassen aan de gevraagde houding/beweging. Eigenlijk is onze locomotie geen beweging maar een razendsnel veranderen van activiteitstoestand van ons houdings- en bewegingsapparaat. De Duitse taal zou spreken over Gestaltung: verandering van vorm en gestalte. Spieren en skeletten zijn met een beetje goeie wil te beschouwen als een tweeheid die samenwerkt. Samen bepalen ze de houding en de beweging, de activiteitstoestand van de ledemaat. Geen van beide is de oorzaak van die activiteitstoestand: waar zouden spieren zijn als ze niet de weerstand hadden van de skeletelementen? Beide zijn noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde voor de activiteitstoestand van ons houding en bewegingsapparaat. Zie de spieren als de epigenetische factoren en het skelet als het genoom. Als je met manipulatie de genen-structuur (code) verandert, leidt dat natuurlijk tot een andere eigenschap van het organisme. Als je een stukje uit mijn dijbeen zaagt, dan moet ik wel anders gaan bewegen. Maar dat bewijst nog niet dat in de normale ongeschonden situatie het mijn skelet is dat mijn houding en beweging veroorzaakt? Dat een genetische manipulatie van een gen consequenties heeft voor de eigenschappen van het betreffende organisme, bewijst nog niet dat dat gen de oorzaak van de eigenschap is of voor die eigenschap codeert. ‘Bepalen’ is niet synoniem met veroorzaken, het genoom geeft eerder de restricties en beperkingen aan. Er zijn zogezegd maar twee plekken in de wereld waar (de verandering in) het genoom een eigenschap veroorzaakt (namelijk verandert) en dat is in de mutaties die plaatsvonden tijdens de evolutionaire ontwikkeling en ….. in de experimenten van de genetici. Net als de neurofysiologen manipuleren zij een substraat en dat leidt tot een verandering: de ingreep is dan inderdaad de oorzaak van de veranderingen. Maar dat bewijst nog niet dat de normale ongeschonden situatie ook een relatie is van oorzaak en gevolg. Nee, genen zijn, een genoom is, net als hersenen, noodzakelijk maar niet voldoende voorwaarde voor eigenschappen dan wel bewustzijn.

En zo zijn er weer terug bij af. Bij af? Ja, het is het organisme dat zich differentieert en daartoe de genen orkestreert. DNA is geen actief (coderend) principe. DNA, de genetische code, is een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde voor eigenschappen. Er zijn geen zieke genen, organismen kunnen ziek zijn en dat kan ‘veroorzaakt zijn’ door een afwijkende gen-structuur maar evengoed door een onjuiste orkestratie. Kortweg: genen hebben geen eigenschappen, een organisme heeft eigenschappen en een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde voor die eigenschappen is vaak een gen.

Maar… Het kwaad is geschied. In de hoofden van mensen is nog massaal en massief blijven hangen dat genen oorzakelijke (differentiërende principes) zijn. Zelfs de fanatieke en neodarwinistische hoogleraar Richard Dawkins beschouwt de mens en alle levende wezens niet anders als vehikels voor genomen en stelt dat het de genomen zijn die in de evolutie evolueren. Ik moet hier heftig tegen protesteren. De mechanismen van selectie, adaptatie en survival of the fittest hebben plaatsgevonden en gewerkt op het niveau van de organismen en de primaire werkelijkheid en niet op het niveau van de genomen. Bovendien wil ik geen vehikel zijn van een genoom. Ik ben een wezen van geest en lichaam en de mens heeft zich ontwikkeld dankzij en ondanks zijn genen. Dat geldt ook voor een individueel mensenwezen

Het zit in ons DNA, het wordt zo gemakkelijk gezegd. Maar is het ook waar? Of is het soms een halve waarheid? Voor een aids-patiënt heb je een hiv-virus én een menselijk wezen nodig. Voor een eigenschap heb je een DNA-code én een organisme nodig. Evolutie heeft niet plaatsgevonden op het niveau van de genen. Op het niveau van de levende organismen werd bepaald of de genetische mutatie functioneel en passend is en aan nageslacht werd doorgeven. DNA is ontdekt in de zoektocht naar hoe erfelijkheid als proces verloopt. Erfelijkheid was al langer bekend (van oudsher bijna) maar in de chromosomen, de genen en later DNA meende men dan het substraat van erfelijkheid te vinden. Dat is ook zo. Het gaat om informatieoverdracht. Maar net zo goed als een virus nooit een aidspatiënt kan worden, zo kan informatie op een genoom nooit een organisme worden. Natuurlijk ‘zit’ er van alles als aanleg, constitutie in onze genen, maar wij zijn onze genen niet. Vroeger hadden we nog een constitutie en manieren van doen, nu hebben we alleen maar genen. Mensen plaatsen genen meer buiten zichzelf dan een constitutie: “ik kan het ook niet helpen dat ik crimineel ben, dat zit in mijn genen”. Wij zijn mens dankzij en ondanks ons DNA. Genen zijn de noodzakelijke maar niet voldoende weerstand waaraan wij ons als organisme kunnen ontwikkelen. Ik geloof toch dat ik rustig door kan gaan met het brengen van mijn fenomenologische en spirituele embryologie die zich vasthoudt aan het adagium dat we niet beginnen als cellen maar dat wij van meet af aan een organisme zijn. De zygote is geen cel maar een eencellige menselijk organisme. En het is dat geheel dat zich differentieert. Het leven is niet begonnen met DNA, het leven is begonnen met eencellige organismen. En ja, inderdaad op de grens van leven en dood zijn daar de virussen, voor te stellen als een verpakte en met instrumenten uitgeruste streng DNA. Maar zichzelf kunnen vermenigvuldigen? Echt niet, daar hebben ze toch de enzymmachinerie van levende cellen nodig.

Tot slot kan ik nog wel een goed woordje te doen voor de epigenetica. Biologen als Bruce Lipton en ook anderen hebben gesuggereerd dat het best zou kunnen zijn dat wij toch van buiten af, en nu praten we echt over onze omgeving (‘nature’), de activiteittoestand van onze genen zouden kunnen veranderen. Dat is denkbaar en ook hier en daar ook al aangetoond. Zo proberen wetenschappers die zich met voor ouderen bezighouden aan te tonen dat je met het toedienen van lichaamseigen stoffen de biologische leeftijd van een individu kan beïnvloeden. Maar of wij ook de structuur van onze genen-codes kunnen veranderen en daarmee verworven eigenschappen zouden kunnen doorgeven aan het nageslacht, dat is nog steeds niet algemeen aanvaard of hard gemaakt. Als het gaat om het mechanisme van ontwikkeling en evolutie te verklaren, moeten we nog steeds naar de darwinistische modellen grijpen maar er zijn ook steeds meer aanwijzingen dat ook het idee van Lamarck, dat ‘nurture’ de ‘nature’ kan bepalen, wel eens zijn waarde zou kunnen hebben. Nature of nurture? is nog steeds de vraag. Beide zijn een halve waarheid en noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarden. Soms is de verhouding 90 – 10, dan weer is de verhouding 10 – 90. DNA kan met geen mogelijkheid het molecule van leven zijn.  Ruwweg gezegd is DNA het meest levenloze en doorgestructureerde molecuul dat levende wezens kunnen produceren, het is bijna pure form-ule. Als substantie is DNA bijna ‘vormloos’(‘snot’) en eigenschaploos. Leven is niet begonnen met DNA. Dat wordt wel steeds meer duidelijk. Puur DNA is tot niets in staat. DNA in de context van organisme kan een rol spelen, ook bij de differentiatie, ook bij evolutie.

Wat mij soms ook kan storen aan wetenschappelijke ontwikkelingen is dat ‘de wetenschap’ niet zo happig is om toe te geven dat een bepaald concept op dogma gebleken is een misvatting te zijn. Van medische behandelingen wordt wel eens gezegd dat ze hooguit 20, 30 jaar ‘meegaan’ en dan alweer vervangen moeten worden door een andere evidence-based methode van behandeling. Prima, dat kan zijn en hoort ook eigenlijk wel bij de praktijk van wetenschap, elke keer weer re-evalueren, en zonodig herzien en aanpassen is bijna praktijk in de wetenschap. Maar fouten toegeven en erkennen, dat is niet zo usance in het wetenschapsdomein. Tegenwoordig wordt van samenlevingen en regeringen en naties verwacht dat zij hun excuus bieden en dienen te erkennen dat ze in het verleden ernstige fouten hebben begaan zoals het koloniseren van volkeren en het uitvoeren van slavernij. Maar van wetenschappelijke zijde zul je nooit eens vernemen dat ‘de wetenschap’ zich ook officieel verontschuldigt voor zo’n verschrikkelijke denkfout als het centrale dogma. Waarom zou dat belangrijk kunnen zijn? Dan zouden dat soort vreselijke memen als ‘het zit in mijn DNA’ niet in de hoofden van mensen zijn gaan beklijven en een belangrijke corrumperende invloed hebben gehad op onze samenleving.

De laatste paragraaf van het rapport zit er toekomst in ons DNA (1993 luidt als volgt: Het gangbare prevalerende paradigma (ik zou je willen aanvullen: neurogenetisch paradigma) bant geest uit, dus ook het vermoeden dat in de levende werkelijkheid om ons heen meer werkt dan stof alleen. De Nederlandse filosoof JH van den Berg (1984) vat het als volgt samen. Uitgebannen wordt ‘de gedachte dat de wereld, de levende en de levenloze, niet allereerst beheerst wordt door de materie en door de wetten van deze materie. Ook deze gedachte dat bij levende wezens het leven het belangrijkste is, en dat daarna de levende stof komt die dat leven dient. De gedachte dat het leven als zodanig verandert, evolueert en muteert, en dat het uit zichzelf strevende leven de moleculaire programmering uitnodigt of noodzaakt mee te veranderen […] Zodra de politieke verplichting, om juist andersom te denken, vervalt, komt de overtuiging terug dat deze welgeordende en wel getooide wereld om ons heen wordt beheerst door geest.’

Jaap van der Wal MD PhD, anatoom-embryoloog en fenomenoloog

Adres: jaap.vanderwal45@kpnmail.nl. Sibemaweg 33D, 6224 DA Maastricht, Nederland. Onafhankelijk onderzoeker – gepensioneerd universitair hoofddocent medische anatomie en embryologie.