4 juni 2026. Denken aan pijn
Een bekende columnist Max Pam in een bekend Nederlandse dagblad (De Volkskrant) schreef op 26 mei 2026 een column in de krant naar aanleiding van een ongeval binnenshuis waarbij hij zijn hoofd enorm hard had gestoten. Compleet met opkomende zwelling en hoofdpijn. Hij kocht Het Pijn Boek van de pijnonderzoekers. Esmeralda Blaney Davidson en Hans Timmerman.
Het eerste wat hem opviel, was de definitie van pijn. Die luidde: ‘Pijn is een onaangename sensorische en emotionele ervaring die geassocieerd is met daadwerkelijke of potentiële weefselschade, of beschreven wordt in termen van dergelijke schade.’ Niet zonder gevoel voor humor schrijft hij hierover: “Dit is het soort definities die mij doen denken aan de definitie van sociologie waardoor ik destijds mijn interesse in sociologie verloor” en “Zo’n definitie doet pijn aan je ogen en je oren”.
JvdW. Potentiële weefselschade? Wat is dat? Weefselschade die nog geen weefselschade is en toch kennelijk als zodanig wordt waargenomen? Door wat of wie dan?
Het valt mij op dat tegenwoordig pijn en pijnsensatie bijna direct worden gekoppeld aan zogenaamde nocireceptoren of nociceptoren. Van Wikipedia komt deze definitie: Nociceptoren (ook wel pijnreceptoren genoemd) zijn gespecialiseerde zenuwuiteinden in ons lichaam die fungeren als waarschuwingssysteem. Ze registreren potentiële of daadwerkelijke weefselschade en sturen bij gevaar een alarmsignaal via het zenuwstelsel naar de hersenen, wat wij ervaren als pijn. En zo worden nociceptoren door veel mensen halfslachtig geïnterpreteerd als pijnreceptoren. Dat laatste is per definitie onmogelijk. Pijn is geen perceptie, geen zintuiglijke waarneming. Er bestaan geen receptoren die door een zogenaamde specifieke pijnprikkel worden geactiveerd. Veel mensen hebben het halfslachtige plaatje van Descartes waarschijnlijk in hun hoofd, dat suggereert dat pijn een prikkel zou zijn die van de voet naar het brein, naar de hersenen wordt gevoerd en dar wordt ‘omgezet’ in de beleving van pijn. De definitie van pijn waar de columnist het over heeft is duidelijk: er is zeker een associatie tussen nociceptoren, weefselschade en pijn. Maar dat maakt beide grootheden nog niet gelijk! Als voorbeeld het volgende. Het is onmiskenbaar dat er een directe associatie bestaat tussen hersenactiviteit en bewustzijn of gedachten. Tegenwoordig naderen door technische ontwikkelingen die twee grootheden elkaar zo dicht dat met een kleine moeite de kloof tussen beide werkelijkheden wordt veronachtzaamd en het één gelijkgesteld wordt aan het ander. En zo zijn veel mensen er tegenwoordig van overtuigd dat het brein bewustzijn produceert en denkt. Het is een klassiek voorbeeld van het verwarren van de voorwaarden voor een zaak (hersenactiviteit) met de zaak zelf (bewustzijn, denken).
Zo ook het geval van nociceptie. Deze chemoreceptoren zouden reageren op substanties die vrijkomen bij ischemie of weefselschade en door ons brein worden omgezet in de sensatiepijn. Ze zouden reageren op drie soorten schadelijke prikkels: mechanisch (snijden, stoten), thermisch (extreem eten of kou) en chemisch (bijtende stoffen of ontstekingsstoffen), aldus Wikipedia. Dat zijn dus geen ‘pijn-prikkels’. Hier worden twee zaken met elkaar verward. Een voorbeeld. Hersenen en bewustzijn zijn gescheiden (onderscheiden) van elkaar door de absolute kloof van het feit dat het ene een stoffelijke werkelijkheid is (want meetbaar, ponderabel) en het andere geestelijke werkelijkheid is (want enkel individueel beleefbaar). Immers niemand kan het bewustzijn of de gedachten ervaren en beleven die u heeft, het is een ondeelbare werkelijkheid. De subjectieve realiteit van uw gedachten zijn geen voor een ander meetbare werkelijkheid, De neurofysiologie en de neuropsychologie onderscheiden deze beide werkelijkheden als de werkelijkheid van de eerste persoon (subjectief, bewustzijn, ervaren, beleven participerende werkelijkheid) en de werkelijkheid van de derde persoon (objectief, observeerbare. toeschouwerswerkelijkheid). En er is geen neurofysioloog die je kan uitleggen hoe een ponderabele (stoffelijke) werkelijkheid over zou gaan het tegendeel namelijk een imponderabele (geestelijke) werkelijkheid.
Onze columnist gaat verder en leest onder andere over pijndrempels die slecht kunnen functioneren maar ook dat pijn volgens de auteurs van het boek nu eenmaal ook een raadselachtig fenomeen blijft: “Iedereen kent het, niemand begrijpt het”. Hij vermeldt dat Ludwig Wittgenstein erop heeft gewezen dat jouw pijn niet door een ander gevoeld kan worden en dat je ook de pijn van een ander niet kan voelen, wat door de ontoereikendheid van de taal leidt tot misverstanden die dagelijks door artsen en patiënten worden ervaren. Over onze pijn kunnen wij niet spreken, terwijl niets zo hard wordt uitgeschreeuwd.
Er komen er steeds meer mensen met pijnklachten, pijnsyndromen en chronische pijn. De verklaring daarvoor wordt wel gezocht in een verlaging van de pijndrempel. Een dergelijke gedachtegang weer gestoeld op het idee dat pijn een zintuiglijke perceptie is en dat er zoiets als pijnreceptoren bestaan. Probeer die ook eens bij jeuk, een zo mogelijk nog meer onbegrepen fenomeen. U gaat toch niet beweren dat er in uw huid duizenden jeukreceptoren zitten te wachten op een jeukprikkel? De Nederlandse filosoof Metz schreef eens dat pijn de absolute tegenstelling van een (zintuiglijke) waarneming. Zintuigen verbinden ons met de wereld. De zintuigen waarmee we het vogeltje zien of horen zijn op een bepaalde manier functioneel transparant en in zekere zin afwezig. Met het oog dat opspeelt of ontstoken is, kan men niet meer waarnemen, het eist de aandacht op. Pijn doet het tegenovergestelde, maakt verbinding met het waargenomen onmogelijk en werpt ons terug op het lichaam. Het lichaam met pijn scheidt ons van de wereld en maakt ons juist pathologisch bewust van bijvoorbeeld een lichaamsdeel..
De columnist vertelt vervolgens dat hij net als bijna elke oudere een chronische pijn heeft in de onderrug. Daartoe laat hij zich bij een pijnkliniek om de zoveel tijd prikken. Hij kan het iedere pijnlijder aanraden want al weg naar huis begint de pijn te verdwijnen. Hij zegt “Loop er niet mee door want van pijn die blijft zeuren word je alleen maar chagrijnig en begin je omgeving te mijden”. Pijn verbindt niet, pijn scheidt. Pijn is ook niet synoniem met nociceptie hoogstens ermee geassocieerd. Op dit moment lijd ik (JvdW) aan drie ‘vormen’ van pijn. Ik heb spierpijn (dat zou een gevolg zijn van de polymyalgia rheumatica waaraan ik op dit moment zou lijden). Ik heb gewrichtspijn (er is een bindweefsellaesie ontstaan aan de binnenkant van mijn kniekapsel, misschien wel een scheurtje). Als je beide soorten pijn tegelijk beleeft, wordt het overigens ook heftig duidelijk dat spierpijn iets heel anders is dan gewrichtspijn. Door dit alles heen heb ik ook nog neurogene pijn als gevolg van een hernia in mijn wervelkolom die uitstralende pijn “veroorzaakt” in mijn scheen en been. Ik durf te betwijfelen dat alle drie deze vormen van pijn iets met de nociceptoren en weefselschade te maken hebben. Maar daar vonden de opstellers van de definitie in het pijn ook een oplossing voor: ze onderscheiden daadwerkelijke of potentiële leven weefselschade.
Het blijft lastig met je pijn. Ik probeer het wel eens te begrijpen alsof pijn in het lichaam zich voordoet wanneer bewustzijn ontstaat op een plaats in het lichaam wat er normaliter niet is. Een gezond en goed functionerend lichaam is transparant. Een goed en gezond lichaam verdwijnt en dient. Worden ons bewust van dat lichaam dan is het vaak storend en indringend. Zo ook pijn De columnist vervolgt: “De filosoof Bertrand Russell noemde eeuwige pijn barbaars en het grootste kwaad voor de mensheid. Toch gaat het zonder pijn ook niet, want er moet iets zijn dat ons waarschuwt wanneer ons lichaam een knauw heeft gekregen”.
Een paar voorlopige conclusies. Pijn is niet synoniem met nociceptie. Pijn is zeker een gewaarwording maar geen waarneming. Pijnreceptoren bestaan niet. De eerste persoons werkelijkheid van pijn zit in mijn voet of rug, de derde persoon werkelijkheid van mijn pijn is een illusie in mijn brein. Ik heb een aantal jaren colleges gegeven aan fysiotherapeuten over pijn en dan met name over de neuroanatomie van pijn. Aan de orde kwamen hersencentra en verbindingen en spinothalamische zenuwbanen en dergelijke. Vooral van het college probeerde ik altijd een voet te vinden van een student en met een waarschuwing ging ik daar op staan. “Au, dat doet pijn!” “Waar dan?” “In mijn voet natuurlijk”. “Nou, zo natuurlijk is dat niet. Er komt een heel college aan dat gaat duidelijk maken dat die pijn in je voet maar een illusie is geproduceerd door het brein”. Het zal toch niet waar zijn? Gaan dokters er echt van uit dat jouw pijn een illusie is en dat de ‘echte’ pijn in je hoofd of hypothalamus zit. Ook omdat een pijnstiller vaak aangrijpt op het brein. Dat is voor een fenomenoloog niet te aanvaarden. Pijn in mijn voet is een werkelijkheid van de eerste orde (de werkelijkheid zoals ik die ervaar en beleef en waarneem, volgens filosofen de Sinneswelt), kernen en banen zijn de secondaire werkelijkheid, de werkelijkheid van het wetenschappelijk lichaam. Het een is een absolute voorwaarde voor het andere, zeker. Maar willen we nu zo ver gaan dat we de wereld zoals naar beleven, niet langer serieus nemen? We doen dat al met zoiets als een zonsondergang bijvoorbeeld, en keihard gegeven in de primaire werkelijkheid. Maar volgens de filosoof Staal (1930 – 2012) is een zonsondergang ‘een wetenschappelijke mythe’. Dat klopt, want “in werkelijkheid draait de aarde en staat de zon stil”. Maar als Staal vervolgens concludeert “dat een zonsondergang daarom geen werkelijkheidswaarde bezit”, dan zakt mij de filosofische broek af. Zouden we dat tegenwoordig niet ‘nepnieuws’ of ‘desinformatie’ noemen? Ik wil en kan dat niet aanvaarden. De primaire werkelijkheid van de zintuiglijke wereld is de werkelijkheid waarin we zijn geëvolueerd waarin wij leven, bewust worden en sterven. Die werkelijkheid opgeven voor een zogenaamd objectief toeschouwersbewustzijn? Echt niet. De fenomenoloog blijft ook voor waar nemen wat men waarneemt en reduceert zijn wereldbeeld niet tot de objectieve waarneembare meetbare ponderabel werkelijkheid. Maar natuurlijk blijft de wezenlijke vraag: Wat heeft het een toch met het ander te maken? Pijn hebben is iets heel anders dan pijn denken. En “Never the twain shall meet?”.